STANDPUNT

Vanaf grote hoogte bezien
verbergt een stad zijn kleuren
zijn mensen ook

ik hoor verstrengelde klanken verwaaien tot woordeloze wolken
geruite straten splijten blokken
de zon wandelt over daken

daarbeneden kletsen kleuren op kasseien
dromen drommen mensen daden
balanceren dauwdruppels op uiterste puntjes van grassprieten

zij bollen de hemel en de aarde ineen

ik kijk op en zie jou met tegenlicht
je bent enkel vorm
scherpe contouren om een diepte zo zwart

ik zal de zon vragen om je heen te draaien

Klaagzang

(antwoord op “Lamento” van Remco Campert)

je stond langs, langs mijn lengte, langs mijn diepte en je dacht dat je
altijd maar
altijd maar

je stond langs en je zag het oeverriet, de zon op mijn diepte en je dacht dat je
altijd maar
altijd maar

je zag haar, en de lucht, haar gelaat in mijn rimpeling, altijd rimpelend, rimpelend
altijd maar
altijd maar

en altijd de zon, haar huid, jouw huid in de zon
langs mijn lengte
lang in de middag
een zomer lang

glimmende schouders, nat van haar, nat van elkaar in de zon
altijd in de zon
langs mijn lengte
langs mijn diepte

en in de lucht zomerse zuchten, verre vogelkreten, lachend tot
mijn diepte
tot mijn stilte

en dan die ogen, krankzinnig, voor altijd brekend van geluk, jouw geluk in de zomer
langs mijn lengte
langs mijn diepte

je leefde voor, levend langs mij, het wuivend oeverriet, en je dacht, dat je
altijd maar
altijd maar

Je dacht altijd maar
dat je nooit
dat je nooit

Je dacht nooit dat het wuiven
dat de brekende ogen
de glimmende schouders
het zomerse zuchten
in de namiddag
voor altijd stil
in het ijs
in het wit
in de diepte

En in de verte een bevroren cipres