Ik ben een kind gebleven

Antwoordgedicht op het bekende sonnet “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten” van Willem Kloos.

Ik ben een kind gebleven diep van binnen
dat op een krukje naar de wereld staart
voor wie de raadsels nooit zijn opgeklaard
en dagen steeds van voor af aan beginnen.

De schrik kan ik gewoon niet overwinnen
dat ik geen regels leerde voor het leven
waar anderen zich zelfbewust begeven
ben ik een kind gebleven diep van binnen.

Toch kun je mij onmogelijk bereiken
achter een pantser heb ik me verschanst
waar ik jouw omhelzing kan ontwijken

en onkwetsbaar ben voor jouw verdriet
want tegen elke prijs zal ik vermijden
dat je mij ooit op dat krukje ziet.

Datsja

Het monotone bonzen op het spoor
verstomt het gonzen van de grote stad.
Buiten stroomt als troosteloos decor
blok na blok voorbij van Leningrad.

Als dat landschap gaandeweg vergaat,
daagt een vlakte als een blanco blad.
Bij een halte zonder naambord staat
ze al te wachten voor het wandelpad

In haar mooiste jurk op blote voeten
zegt ze tegen haar vriendinnen: Kijk,
mijn papa kunnen jullie nu ontmoeten.

Ze trekt me met een hand achter zich aan,
want binnen heeft ze snoepjes klaargezet
zodat ik niet meteen weer weg zou gaan.

Dolce Vita

Vergeten op een glazen plank
achter zeep en aftershave
lonk ik met mijn rondingen
gevuld met gouden spray.

Ooit mocht ik jou omhelzen
tot jij je zinnen verloor.
Ik bedwelmde je, overweldigde
een willoze prooi van Dior.

Verdoofd door zorgeloos genot
geloofde jij toen heilig
dat jij de enige was, haar god
en het altijd zo zou blijven.

Maar de bekoring is verdwenen
en mijn charmes zijn verslapt
als een afgedankte deerne
die bij daglicht werd betrapt.

Een wolk van loze beloftes
meer kan ik jou niet geven,
behalve misschien een vleug
van het vervlogen zoete leven.

Toverbal

Als ik er een mocht pakken,
nam ik blauw of nee toch rood.
Dan rolde hij door m’n mond
en zou proeven naar framboos.

Daarna komt er een nieuwe kleur
en wordt de smaak opeens citroen,
die omhoog kruipt in m’n neus
en lekker prikkelt op m’n tong.

Ik kan er vast een week mee doen,
en stop hem ’s avonds in papier.
Maar stel, stel er zit kauwgom in,
dan zeker nog een dag of vier!

Van een ongeboren nacht

Nu de storm in blinde woede vloekt en spuugt op alle daken

en zijn duivels in het donker durven rukken aan de goot

Vouw ik mij zacht om jou en begroet zo stil het duister

van de ingehouden adem waarin ik lig en luister

naar het kloppen van je hart

naar het bonzen van mijn liefde

naar het zuchten van ons kind

STANDPUNT

Vanaf grote hoogte bezien
verbergt een stad zijn kleuren
zijn mensen ook

ik hoor verstrengelde klanken verwaaien tot woordeloze wolken
geruite straten splijten blokken
de zon wandelt over daken

daarbeneden kletsen kleuren op kasseien
dromen drommen mensen daden
balanceren dauwdruppels op uiterste puntjes van grassprieten

zij bollen de hemel en de aarde ineen

ik kijk op en zie jou met tegenlicht
je bent enkel vorm
scherpe contouren om een diepte zo zwart

ik zal de zon vragen om je heen te draaien

Suikerspin

Als kokette prima donna
paradeert zij in het rond
en met elke pirouette
bolt haar broze baljapon.

Ze kronkelt om een stokje
en lonkt met de belofte
zwevend op haar roze wolk
van zorgeloos, zoet genot.

Wie valt voor haar charme,
mag het suikerpluis kussen
overwelmt door de walm
van deze gulle minnares.

Maar de lust vergaat snel
als er lucht wordt geplukt
dan ontrafelt ook het web
van vluchtig kermisgeluk.

Kopdood

Vandaag wakker geworden met Dood in me kop

Keer goed schudden maar tevergeefs

Heet douchen koffie telefoonkrant ziekmelden. Niks hoor.

Dus maar naar buiten mettie Dood in me kop

Rails over gracht langs park door kroeg in

knalblauw gelopen. Kut zonder kop.

Dood lachen natuurlijk en ik terug het park door

Afkoelen eenden tellen

18.

Vetmakke mormels op witbrood gemest

Teruggekwaakt naar huis gegaan avondzonnetje biertje balkon.

En Dood maar aan mn kop zeiken

over het licht – dattet zo fel is

Haar vakantie

zij kreeg een ander lichaam
verloor haar vaste vorm
hield niets meer bij elkaar

in haar slapen openden zich kieuwen
die traag bewogen
ze moest leren ademen

in haar aderen kolkte het getij
trok zich terug
kwam op

haar handen werden vliezen

schubben schuurden
als natte vellen
aan haar huid

haar haren dreven als zeewier
spreidden zich uit
in het water

ze zwom elke dag

langs bruggen
langs kades
muren, huizen en stemmen
die niet meer riepen

en zij
kwam nooit
nooit meer aan land