(antwoord op “Lamento” van Remco Campert)
je stond langs, langs mijn lengte, langs mijn diepte en je dacht dat je
altijd maar
altijd maar
je stond langs en je zag het oeverriet, de zon op mijn diepte en je dacht dat je
altijd maar
altijd maar
je zag haar, en de lucht, haar gelaat in mijn rimpeling, altijd rimpelend, rimpelend
altijd maar
altijd maar
en altijd de zon, haar huid, jouw huid in de zon
langs mijn lengte
lang in de middag
een zomer lang
glimmende schouders, nat van haar, nat van elkaar in de zon
altijd in de zon
langs mijn lengte
langs mijn diepte
en in de lucht zomerse zuchten, verre vogelkreten, lachend tot
mijn diepte
tot mijn stilte
en dan die ogen, krankzinnig, voor altijd brekend van geluk, jouw geluk in de zomer
langs mijn lengte
langs mijn diepte
je leefde voor, levend langs mij, het wuivend oeverriet, en je dacht, dat je
altijd maar
altijd maar
Je dacht altijd maar
dat je nooit
dat je nooit
Je dacht nooit dat het wuiven
dat de brekende ogen
de glimmende schouders
het zomerse zuchten
in de namiddag
voor altijd stil
in het ijs
in het wit
in de diepte
En in de verte een bevroren cipres
Geef een reactie